**Basale Bewaking en Vital Signs

Deze les concentreert zich op basale bewaking en vitale functies, cruciaal voor reanimatie en spoedeisende hulp. Je leert hoe je vitale functies observeert, interpreteert en de juiste acties onderneemt in simulatie scenario's.

Learning Objectives

  • Studenten kunnen de normale waarden voor vitale functies benoemen.
  • Studenten kunnen de correcte technieken demonstreren voor het meten van vitale functies, zoals ademhaling, pols, bloeddruk en saturatie.
  • Studenten kunnen de resultaten van vitale functies interpreteren en veelvoorkomende afwijkingen identificeren.
  • Studenten kunnen reageren op gesimuleerde reanimatie scenario's gebaseerd op de gemeten vitale functies.

Text-to-Speech

Listen to the lesson content

Lesson Content

Introductie tot Vitale Functies

Vitale functies zijn de basisindicatoren van de gezondheid van een patiënt. Ze omvatten ademhaling, pols, bloeddruk, temperatuur en zuurstofsaturatie. Het monitoren van deze functies is essentieel om snel veranderingen te detecteren en adequaat te reageren.

  • Ademhaling: De frequentie en diepte van de ademhaling (aantal ademhalingen per minuut). Normale waarden: 12-20 ademhalingen per minuut.
  • Pols: De frequentie, ritme en kracht van de polsslag (aantal slagen per minuut). Normale waarden: 60-100 slagen per minuut.
  • Bloeddruk: De druk van het bloed tegen de wanden van de bloedvaten. Bestaat uit systolische (bovendruk) en diastolische (onderdruk) waarden. Normale waarden: Systolisch < 120 mmHg, Diastolisch < 80 mmHg.
  • Temperatuur: De lichaamstemperatuur. Normale waarden: 36.5°C - 37.5°C (Oraal).
  • Zuurstofsaturatie (SpO2): Het percentage zuurstof in het bloed. Normale waarden: 95-100%.

Technieken voor het Meten van Vitale Functies

Het correct meten van vitale functies is cruciaal voor accurate beoordeling. Laten we de methoden per functie bekijken:

  • Ademhaling: Observeer de borstkasbewegingen. Gebruik een stopwatch om de frequentie te meten. Kijk naar diepte en regelmaat.
  • Pols: Palpeer de pols (radiaal, brachiaal of carotisch) met twee vingers (niet de duim!). Tel de slagen gedurende 30 seconden en vermenigvuldig met twee. Let op het ritme en de kracht.
  • Bloeddruk: Gebruik een bloeddrukmeter (manueel of automatisch). Plaats de manchet correct, palpeer de arteria brachialis, pomp de manchet op totdat de pols niet meer voelbaar is, en laat langzaam de lucht ontsnappen. Noteer de systolische en diastolische waarden.
  • Temperatuur: Gebruik een thermometer (oraal, axillair, rectaal, of tympanisch). Zorg voor juiste plaatsing en interpreteer de resultaten per methode.
  • Zuurstofsaturatie: Gebruik een pulsoximeter op een vinger of teen. Zorg dat de vinger goed in de sensor zit en interpreteer de SpO2 waarde.

Interpretatie van Afwijkende Vitale Functies

Het herkennen van afwijkende vitale functies is essentieel voor snelle interventie.

  • Tachycardie: Versnelde hartslag (hartslag > 100 bpm). Oorzaken: stress, pijn, inspanning, bloedverlies.
  • Bradycardie: Vertraagde hartslag (hartslag < 60 bpm). Oorzaken: medicatie, atleet, hartproblemen.
  • Tachypneu: Versnelde ademhaling (ademhaling > 20 bpm). Oorzaken: pijn, angst, metabole acidose.
  • Bradypneu: Vertraagde ademhaling (ademhaling < 12 bpm). Oorzaken: medicatie (opiaten), neurologische problemen.
  • Hypotensie: Lage bloeddruk (systolisch < 90 mmHg). Oorzaken: bloedverlies, shock.
  • Hypertensie: Hoge bloeddruk (systolisch > 140 mmHg / diastolisch > 90 mmHg). Oorzaken: stress, arteriële problemen.
  • Hypoxemie: Lage zuurstofsaturatie (SpO2 < 90%). Oorzaken: ademhalingsproblemen, longproblemen.

Reageren op Reanimatie Scenario's

In een reanimatiesituatie zijn de vitale functies vaak gestoord. Een snelle en correcte beoordeling is cruciaal. Volg de ABCDE-aanpak (Airway, Breathing, Circulation, Disability, Exposure) en handel adequaat.

  • Airway (ademweg): Is de luchtweg vrij? Zo niet, open de luchtweg (kinlift, jaw-thrust).
  • Breathing (ademhaling): Ademhaling aanwezig? Zo niet, start beademingen (mond-op-mond, zak-masker).
  • Circulation (circulatie): Pols aanwezig? Zo niet, start borstcompressies. Overweeg defibrillatie (AED).
  • Disability (neurologisch): Pupilreactie, GCS-score.
  • Exposure (blootstelling): Inspecteer de patiënt op verwondingen of andere afwijkingen.

Pas vitale functies continu aan en communiceer met het team.

Progress
0%