**Omgaan met Noodsituaties: Allergische Reacties, Epilepsie & Diabetes

Deze les behandelt het omgaan met noodsituaties die te maken hebben met allergische reacties, epilepsie en diabetes. Je leert hoe je deze situaties herkent, wat je moet doen om de cliënt te helpen en wanneer je professionele hulp moet inschakelen.

Learning Objectives

  • De cursist kan de symptomen van een allergische reactie, epilepsieaanval en lage/hoge bloedsuikerspiegel herkennen.
  • De cursist kan de juiste eerste hulpmaatregelen toepassen bij een allergische reactie, epilepsieaanval en bij diabetesgerelateerde noodsituaties.
  • De cursist kan de noodzaak van het alarmeren van hulpdiensten in bovenstaande situaties bepalen.
  • De cursist kan een cliënt veilig en effectief ondersteunen tijdens een noodsituatie gerelateerd aan deze aandoeningen.

Text-to-Speech

Listen to the lesson content

Lesson Content

Allergische Reacties

Allergische reacties kunnen variëren van mild tot levensbedreigend. Milde reacties kunnen huiduitslag, jeuk en niezen veroorzaken. Ernstige reacties (anafylaxie) kunnen leiden tot ademhalingsproblemen, zwelling van de tong en keel, en een bloeddrukdaling.

Voorbeelden: Denk aan een cliënt met een pinda-allergie die per ongeluk iets eet waar pinda's in zitten, of iemand die reageert op een insectenbeet.

Wat te doen:
* Herken de symptomen: Huiduitslag, jeuk, zwelling (vooral van het gezicht, lippen, tong), ademhalingsproblemen, hoesten, duizeligheid.
* Bel 112: Bel direct als er ademhalingsproblemen zijn, zwelling in de keel of tong, of als de cliënt bewusteloos raakt.
* Help met de adrenaline-injectie (EpiPen): Als de cliënt een EpiPen heeft en in staat is om deze zelf toe te dienen, help dan indien nodig. Zorg dat je de instructies kent en volg ze nauwkeurig. Indien de cliënt niet in staat is zichzelf te helpen, dien dan de EpiPen toe als je daartoe bevoegd bent en de cliënt of een naaste hier toestemming voor heeft gegeven.
* Leg de cliënt neer: Leg de cliënt plat met de benen omhoog als er geen ademhalingsproblemen zijn. Bij ademhalingsproblemen, laat de cliënt in een positie zitten waarin hij het makkelijkst kan ademen.
* Blijf de cliënt geruststellen: Vertel wat er gebeurt en dat de hulpdiensten onderweg zijn.

Epilepsieaanvallen

Epilepsieaanvallen kunnen zich op verschillende manieren manifesteren. Een gegeneraliseerde tonisch-clonische aanval (grote aanval) is het meest zichtbaar, met stijfheid (tonisch) gevolgd door schokken (clonisch). Er kunnen ook afwezigheidsaanvallen (kleine aanvallen) voorkomen, waarbij de cliënt even afwezig lijkt.

Voorbeelden: De cliënt valt plotseling op de grond en begint te schokken, of de cliënt staart voor zich uit en reageert niet op aanspreken.

Wat te doen bij een gegeneraliseerde tonisch-clonische aanval:
* Blijf kalm: De aanval ziet er vaak heftig uit, maar is meestal vanzelf overgaand.
* Bescherm de cliënt: Zorg ervoor dat de cliënt geen letsel oploopt door hem/haar weg te trekken van gevaarlijke voorwerpen. Leg iets zachts onder het hoofd.
* Noteer de tijd: Hoe lang duurt de aanval? Dit is belangrijk voor de hulpdiensten.
* Bel 112: Bel 112 als de aanval langer dan 5 minuten duurt, als er een volgende aanval plaatsvindt, als de cliënt zich niet herstelt na de aanval, of als de cliënt gewond is geraakt.
* Geef niets te eten of te drinken: Totdat de cliënt volledig bij bewustzijn is.
* Blijf bij de cliënt: Totdat hij/zij volledig hersteld is.

Diabetes: Lage en Hoge Bloedsuikers

Mensen met diabetes moeten hun bloedsuikerspiegel in balans houden. Lage bloedsuikers (hypoglykemie) en hoge bloedsuikers (hyperglykemie) kunnen tot noodsituaties leiden.

Lage bloedsuiker (Hypoglykemie): Veroorzaakt door te weinig eten, te veel insuline of veel inspanning. Symptomen zijn trillen, zweten, duizeligheid, honger, hoofdpijn en verwardheid. In ernstige gevallen kan iemand bewusteloos raken.

Hoge bloedsuiker (Hyperglykemie): Veroorzaakt door te veel eten, te weinig insuline, stress of ziekte. Symptomen zijn veel plassen, dorst, vermoeidheid, wazig zien en misselijkheid.

Wat te doen bij lage bloedsuiker:
* Herken de symptomen: Trillen, zweten, duizeligheid, hoofdpijn, honger, verwardheid.
* Geef snelle suikers: Geef de cliënt iets zoets te eten of te drinken, zoals druivensuiker, frisdrank (geen light) of fruitsap.
* Controleer de bloedsuiker: Indien mogelijk, controleer de bloedsuikerwaarde met een bloedsuikermeter.
* Bel 112: Als de cliënt bewusteloos is, of als de symptomen niet verbeteren na het geven van suiker, bel dan 112. Geef de cliënt GEEN eten of drinken als hij/zij bewusteloos is.

Wat te doen bij hoge bloedsuiker:
* Herken de symptomen: Veel plassen, dorst, vermoeidheid, wazig zien, misselijkheid.
* Controleer de bloedsuiker: Indien mogelijk, controleer de bloedsuikerwaarde met een bloedsuikermeter.
* Volg de instructies van de cliënt: Help de cliënt met het toedienen van insuline (indien nodig en toegestaan).
* Bel 112: Als de cliënt erg ziek is, of als er complicaties optreden, overleg met een arts of bel 112.

Progress
0%