Bloeddruk

Deze les gaat over bloeddruk: wat het is, hoe je het meet en hoe je de resultaten interpreteert. Je leert hoe je bloeddrukmetingen correct uitvoert en herkent of de bloeddruk binnen de normale grenzen valt.

Learning Objectives

  • De student kan de bloeddrukmeting procedure correct uitleggen en uitvoeren.
  • De student kan de normale bloeddrukwaarden onderscheiden van hoge en lage bloeddruk.
  • De student kan de factoren noemen die de bloeddruk beïnvloeden.
  • De student kan de juiste acties beschrijven wanneer de bloeddrukwaarden afwijkend zijn.

Text-to-Speech

Listen to the lesson content

Lesson Content

Wat is Bloeddruk?

Bloeddruk is de kracht waarmee het bloed tegen de wanden van de bloedvaten duwt. Het wordt gemeten in millimeters kwik (mmHg) en bestaat uit twee waarden: de systolische druk (bovendruk) en de diastolische druk (onderdruk). De systolische druk is de druk wanneer het hart samentrekt en bloed in de bloedvaten pompt. De diastolische druk is de druk wanneer het hart ontspant en zich vult met bloed. Een gezonde bloeddruk voor volwassenen is meestal rond de 120/80 mmHg (bovendruk/onderdruk). Een voorbeeld: Als je zegt 135/85 mmHg, dan is 135 de systolische druk en 85 de diastolische druk.

Bloeddruk Meten: Stap voor Stap

Het meten van de bloeddruk is essentieel voor het monitoren van de gezondheid van de cliënt. Hier zijn de stappen:

  1. Voorbereiding: Leg de cliënt uit wat je gaat doen. Laat de cliënt comfortabel zitten, met de arm ontbloot en op hartniveau ondersteund. Zorg ervoor dat de cliënt de afgelopen 30 minuten niet heeft gerookt of cafeïne heeft genuttigd.
  2. Manchet aanbrengen: Kies een manchet van de juiste grootte (de breedte van de manchet moet ongeveer 40% van de omtrek van de arm zijn). Breng de manchet aan op de bovenarm, ongeveer 2-3 cm boven de elleboogholte.
  3. Manchet oppompen: Voel de pols aan de pols aan de elleboog. Draai de knop van de manchet dicht. Pomp de manchet op totdat je de polsslag niet meer voelt. Pomp daarna nog 20-30 mmHg extra op.
  4. Luisteren en Meten: Plaats de stethoscoop over de arteria brachialis (binnenkant van de elleboog). Laat de lucht langzaam uit de manchet ontsnappen (ongeveer 2-3 mmHg per seconde). Luister naar de Korotkoff geluiden. De eerste klap is de systolische druk. De punt waar de geluiden verdwijnen is de diastolische druk.
  5. Resultaat noteren: Noteer de systolische en diastolische druk. Maak aantekeningen over eventuele bijzonderheden, zoals onregelmatige hartslag.
  6. Manchet leeg laten lopen: Laat de manchet helemaal leeglopen en verwijder deze.

Interpretatie van de Bloeddrukwaarden

De bloeddrukwaarden geven inzicht in de gezondheid van de cliënt. Hier zijn de algemene richtlijnen:

  • Normaal: Systolisch < 120 mmHg en Diastolisch < 80 mmHg
  • Verhoogd: Systolisch tussen 120-129 mmHg en Diastolisch < 80 mmHg
  • Fase 1 Hoge Bloeddruk: Systolisch tussen 130-139 mmHg of Diastolisch tussen 80-89 mmHg
  • Fase 2 Hoge Bloeddruk: Systolisch 140 mmHg of hoger of Diastolisch 90 mmHg of hoger
  • Hypertensieve Crisis: Systolisch hoger dan 180 mmHg en/of Diastolisch hoger dan 120 mmHg (onmiddellijke medische hulp vereist)

Let op: Deze waarden zijn algemeen. De interpretatie kan variëren afhankelijk van de cliënt en eventuele onderliggende aandoeningen. Raadpleeg altijd de arts of de behandelend specialist voor specifieke richtlijnen.

Factoren die de Bloeddruk Beïnvloeden

Verschillende factoren kunnen de bloeddruk beïnvloeden, waardoor het belangrijk is om rekening te houden met deze factoren tijdens de meting.

  • Leeftijd: De bloeddruk kan toenemen met de leeftijd.
  • Stress: Stress kan de bloeddruk verhogen.
  • Beweging: Inspanning kan de bloeddruk tijdelijk verhogen.
  • Voeding: Zoutgebruik kan de bloeddruk verhogen, terwijl een dieet rijk aan kalium de bloeddruk kan verlagen.
  • Medicatie: Sommige medicijnen kunnen de bloeddruk verhogen of verlagen. Denk hierbij aan pijnstillers of bloeddrukverlagers.

Wat te Doen bij Afwijkende Waarden

Als je afwijkende bloeddrukwaarden meet, is het belangrijk om de volgende stappen te volgen:

  • Herhaal de meting: Neem de meting opnieuw over een paar minuten om te bevestigen.
  • Raadpleeg de cliënt: Vraag of de cliënt zich anders voelt dan normaal.
  • Informeer de arts: Meld afwijkende waarden en eventuele symptomen aan de arts. Wacht niet af als de cliënt klachten heeft (pijn op de borst, hoofdpijn, duizeligheid). Volg de instructies van de arts of de beleidslijn van de zorginstelling. In het geval van een hypertensieve crisis, bel direct 112.
Voortgang
0%