Grondbeginselen van Statistische Analyse in Klinisch Onderzoek

Deze les introduceert de basisprincipes van statistische analyse in klinisch onderzoek. Je leert over verschillende soorten data, de belangrijkste statistische concepten en hoe deze worden toegepast om resultaten van klinische studies te interpreteren.

Learning Objectives

  • Identificeer de verschillende soorten data (nominaal, ordinaal, interval, ratio).
  • Beschrijf de betekenis van belangrijke statistische concepten zoals gemiddelde, mediaan en modus.
  • Uitleggen wat p-waarden en betrouwbaarheidsintervallen betekenen.
  • Herken de basisprincipes van hypothesetoetsing in klinisch onderzoek.

Text-to-Speech

Listen to the lesson content

Lesson Content

Soorten Data

In klinisch onderzoek werken we met verschillende soorten data. Het is belangrijk om deze te kennen om de juiste statistische methoden te kunnen kiezen.

  • Nominale data: Categorieën zonder rangorde (bijv. bloedgroep: A, B, AB, O).
  • Ordinale data: Categorieën met een rangorde (bijv. ernst van pijn: mild, matig, ernstig).
  • Interval data: Gelijke intervallen tussen waarden, geen absoluut nulpunt (bijv. temperatuur in Celsius).
  • Ratio data: Gelijke intervallen met een absoluut nulpunt (bijv. bloeddruk).

Voorbeeld: In een hartfalenstudie zou je nominale data kunnen hebben (geslacht: man, vrouw), ordinale data (NYHA-klasse: I-IV), en ratio data (ejectiefractie in %).

Beschrijvende Statistiek: Gemiddelde, Mediaan en Modus

Beschrijvende statistiek samenvat data met enkele getallen.

  • Gemiddelde (Mean): De som van alle waarden gedeeld door het aantal waarden. Gevoelig voor extreme waarden.
  • Mediaan (Median): De middelste waarde als de data op volgorde is gezet. Minder gevoelig voor extreme waarden.
  • Modus (Mode): De waarde die het vaakst voorkomt.

Voorbeeld: Stel je meet de systolische bloeddruk van 5 patiënten: 120, 130, 140, 150, 160 mmHg.
* Gemiddelde: (120 + 130 + 140 + 150 + 160) / 5 = 140 mmHg
* Mediaan: 140 mmHg (de middelste waarde)
* Modus: Er is geen modus in dit geval, aangezien elke waarde slechts één keer voorkomt.

P-waarden en Betrouwbaarheidsintervallen

P-waarden en betrouwbaarheidsintervallen zijn belangrijke concepten voor het interpreteren van de resultaten van klinisch onderzoek.

  • P-waarde: De kans op het observeren van een resultaat (of extremer) als er geen werkelijk verschil is tussen de behandelingen (de nulhypothese is waar).
  • Betrouwbaarheidsinterval (BI): Een bereik van waarden waarin de werkelijke populatieparameter (bijv. het gemiddelde verschil in bloeddruk) zich waarschijnlijk bevindt. Een 95% BI betekent dat als de studie 100 keer zou worden herhaald, het BI in 95 van de gevallen de werkelijke waarde zou bevatten.

Interpretatie: Een kleine p-waarde (meestal < 0.05) suggereert dat het resultaat statistisch significant is (dwz. onwaarschijnlijk dat het toeval is).
Voorbeeld: Een studie die een nieuw geneesmiddel voor hartfalen evalueert, vindt een gemiddelde verbetering in de ejectiefractie van 5% met een p-waarde van 0.03 en een 95% BI van 1% tot 9%. Dit suggereert een statistisch significante verbetering.

Hypothesetoetsing

Hypothesetoetsing is een methode om te bepalen of er voldoende bewijs is om een bewering over een populatie te verwerpen of te ondersteunen. Het begint met het opstellen van een nulhypothese (H0) en een alternatieve hypothese (H1).

  • Nulhypothese (H0): Er is geen verschil (bijv. geen effect van een medicijn).
  • Alternatieve hypothese (H1): Er is een verschil (bijv. het medicijn heeft wel effect).

Het proces omvat het verzamelen van data, het berekenen van een teststatistiek, het bepalen van de p-waarde en het trekken van een conclusie (verwerp H0 of accepteer H0).

Voorbeeld: H0: Het nieuwe medicijn heeft geen effect op de bloeddruk. H1: Het nieuwe medicijn verlaagt de bloeddruk. We testen dit met een klinische studie.

Voortgang
0%