**Anti-Angineuze Medicatie & Antiaritmica

Deze les behandelt de farmacologie van anti-angineuze medicatie en antiaritmica, twee cruciale categorieën cardiovasculaire medicijnen. We focussen op hoe deze medicijnen werken, hun indicaties en belangrijkste bijwerkingen, en hoe ze worden toegepast in de klinische praktijk.

Learning Objectives

  • De student kan de belangrijkste anti-angineuze medicijnen benoemen en hun werkingsmechanismen beschrijven.
  • De student kan de verschillende klassen antiaritmica onderscheiden en hun specifieke toepassingen begrijpen.
  • De student kan de meest voorkomende bijwerkingen van anti-angineuze medicatie en antiaritmica identificeren.
  • De student kan uitleggen hoe anti-angineuze medicatie en antiaritmica worden voorgeschreven en gemonitord.

Text-to-Speech

Listen to the lesson content

Lesson Content

Anti-Angineuze Medicatie: Behandeling van Angina Pectoris

Angina pectoris, of pijn op de borst, wordt vaak veroorzaakt door een verminderde bloedtoevoer naar de hartspier. Anti-angineuze medicatie vermindert de zuurstofbehoefte van het hart of vergroot de zuurstoftoevoer. Belangrijke groepen zijn:

  • Nitraten (bijv. nitroglycerine): Werken als vaatverwijders, waardoor de bloedvaten zich verwijden en de bloedtoevoer toeneemt. Voorbeeld: sublinguale nitroglycerine voor snelle verlichting van een angina-aanval.
  • Bètablokkers (bijv. metoprolol): Verminderen de hartslag en de contractiekracht van het hart, waardoor de zuurstofbehoefte daalt. Voorbeeld: vaak voorgeschreven voor chronische angina.
  • Calciumantagonisten (bijv. amlodipine): Ontspannen de bloedvaten en verminderen de hartslag. Voorbeeld: gebruikt bij zowel stabiele als variant angina.

Voorbeeld: Een patiënt met een angina-aanval kan nitroglycerine onder de tong krijgen. De snelle vaatverwijding verlicht de pijn in een paar minuten.

Antiaritmica: Behandeling van Hartritmestoornissen

Antiaritmica worden gebruikt om hartritmestoornissen te behandelen. Ze werken door het beïnvloeden van de elektrische activiteit van het hart. Ze worden vaak geclassificeerd op basis van hun werkingsmechanisme (de 'Vaughan Williams classificatie'). De belangrijkste klassen zijn:

  • Klasse I (natriumkanaalblokkers): Vertragen de geleiding in het hart. Voorbeeld: kinidine.
  • Klasse II (bètablokkers): Verminderen de hartslag en het geleidingssnelheid. Voorbeeld: metoprolol.
  • Klasse III (kaliumkanaalblokkers): Verlengen de actiepotentiaal. Voorbeeld: amiodaron.
  • Klasse IV (calciumantagonisten): Verminderen de hartslag en vertragen de AV-geleiding. Voorbeeld: verapamil.

Voorbeeld: Een patiënt met atriale fibrillatie (AF) kan amiodaron krijgen om de hartslag te reguleren en het normale ritme te herstellen.

Bijwerkingen en Monitoring

Alle medicijnen hebben bijwerkingen. Voor anti-angineuze medicatie zijn dit vaak hoofdpijn (nitraten) en duizeligheid (bètablokkers en calciumantagonisten). Voor antiaritmica zijn bijwerkingen afhankelijk van het medicijn, maar kunnen onder andere hartritmestoornissen (pro-aritmie), hypotensie en gastro-intestinale problemen zijn. Monitoring omvat regelmatige controles van de bloeddruk, hartslag, en soms bloedonderzoek (bijv. bij amiodaron). Behandeling moet altijd worden afgestemd op de individuele patiënt.

Voortgang
0%